fragment

Dit is de tekst uit De man die bleef die ik schreef naar aanleiding van mijn ontmoeting met de Franse schrijver Michel Houellebecq.

It was a cat

Op het station van Amersfoort besluit ik alsnog even bij de Etos langs te gaan voor een doosje Durex. Het is voor het eerst in mijn leven dat ik zelf condooms koop, en ik denk ook niet echt dat ik ze nodig zal hebben, maar better safe than sorry.
   Een paar uur later word ik wakker met het beeld van een soort wokkel, die verandert in het mes van een grasmaaier, dat weer verandert in een dnamolecuul. Ik kijk naar buiten, de ICE glijdt door de inmiddels Duitse velden heen de nacht in, en ik vraag me af what the f*** ik aan het doen ben.
   In de Bruna op Utrecht Centraal blader ik voor de zoveelste keer door het tijd¬schrift waarin de Franse schrijver H* zich afvraagt welke vrouw er nog met hem naar bed zou willen. Ik wel, denk ik, hoewel ik nog nooit een bladzijde van de man gelezen heb, en ik besluit het blad te kopen, er staat namelijk ook nog een artikel in over overspel. In de trein begin ik te lezen en even later, na een douche, lig ik naakt op mijn bed, denkende dat ik naakt op mijn bed lig, en dan denk ik aan H*, en dat ik denk aan hem, terwijl ik naakt op mijn bed lig. De scène wordt vanzelf het begin van een brief, gericht aan de schrijver, waarin ik tegenargumenten geef bij zijn bewering dat momenten van liefde zeldzaam zijn. Someone bares her body for you. She bears your touch, your kisses, your eyes. She enters you, just by looking. She comes, you come. So what, if you never meet again? You will meet again. This time she might be better looking, less amusing, younger, or starting to get grey. But you will recognise her. Van dat werk.
   Ik stuur de brief naar H*’s uitgever in Nederland en vele maanden later krijg ik een handgeschreven brief terug. Dan en dan is hij in Hamburg, het lijkt hem so romantic om me daar te zien, hij heeft een vriendin, maar die vindt het geen probleem als hij anderen ziet, by the way, what does ‘shag’ mean?
   Ik bevrijd zijn boek uit mijn tas om nog eens te kijken naar zijn portret op de achterkant. Nee, een schoonheid is het niet. En eerlijk gezegd snap ik ook niet, waarom iedereen zo met hem wegloopt. Toegegeven, het is een onderhoudende roman, maar de stijl is zwak en de ideeën erin kunnen mij althans niet prikkelen.
   De conducteur, in een grasgroen dat via een omweg mijn schaamte wekt. Ik geef hem mijn biljet, hij pakt het aan, geeft het me gestempeld weer terug en dan vertelt hij me kalm dat ik nog een toeslag moet betalen. Mijn ogen vergroten zich, waarom heeft die struise dame aan het loket dat niet tegen me gezegd? Maar een medereiziger die de reis kennelijk vaker gemaakt heeft, legt uit dat het klopt. Als ik dat wil, kan ik zelfs in guldens betalen. Mij best, ik trek mijn portemonnee al. De jongen achter het loket kijkt me aan met een vertrouwen in de mensheid dat ik meteen zelf ook voel. Ze bevallen me steeds meer, die Duitsers. Het meisje bij wie ik in een hip tentje in de Lange Reihe een thee bestelde, was ook al zo lief. Alsof ik hier hoor. De trein gaat pas over een kwartier, zegt de jongen. En het klopt dat ik ook voor de terugreis een toeslag moet betalen. Nog steeds lachend, Gods wegen en zo, haal ik opnieuw mijn portemonnee te voorschijn.
   Op het perron zoek ik een bankje. Ik ga zitten en wanneer ik vervolgens in mijn tas grabbel naar mijn flesje water, stuiten mijn vingers op het pakje Durex dat ik inderdaad niet nodig heb gehad. Ik stop het pakje met het glanzende cellofaan er nog om heen in een zijvakje.
  In de nachtelijke straten branden rode en blauwe lampen. Ze herinneren me aan een werk van Emin. You forgot to kiss my soul. In de etalages zitten of staan vrouwen in roze tule, met zwarte laklaarzen, in witte corsetten, achter plastic rozen. Ik kan het kladje met de routebeschrijving die ik heb gekregen van de receptioniste van het hotel wel weggooien. Toch voel ik geen onbehagen. Op goed geluk sla ik twee keer een hoek om en dan ben ik alsnog in de goede straat. Rare stad!
De krap bemeten receptie van het hotel is verlaten. Op de balie staat in een houten standaard een exemplaar van de Duitse vertaling van H*’s boek met op de voorkant, wat je de laatste jaren wel vaker ziet, een foto van de schrijver zelf, rokend. Een paar maanden later zal ik het boek terugzien in de handen van een Duitse toerist, een beetje schuwe jongen die op een terras naast mij is komen zitten. Telkens als ik in het gesprek dat volgt iets laat vallen over mijn ontmoeting met H*, zie ik dat de ander niet weet of hij me moet geloven, een vermakelijke ervaring.
  Uit een kamertje komt de receptioniste te voorschijn, een vrouw van een jaar of veertig, met prachtige rode krullen die haar evenwel niet beletten chagrijnig te zijn. Nadat ik duidelijk heb gemaakt dat ik kom voor H., pakt ze, met de misschien bij haar functie horende weerzin, de telefoon op. There is someone here to see you… Ze legt de hoorn weer neer. H* komt eraan. Ik kan plaats nemen om de hoek.
   Om de hoek hangt een enorm schilderij zonder lijst van een motel ergens op het platteland van Amerika. De felle kleuren van het doek, waardoor ik denk aan een Hockney, komen terug in de leren fauteuils, wat ik dan weer gewild vind. Ik ga zitten in een okergele.
   Onze trein komt binnenrollen. Bij de deuren wachten we in drommen tot er niemand meer naar buiten komt en dan stappen we ordelijk in. Binnen blijkt er ruimte genoeg. We hangen onze jas op, openen onze laptop, pakken onze lectuur. Een aantrekkelijke vrouw schuin tegenover me haalt uit haar tas een appel en, afgaande op de sobere roomwitte omslag, een Franse roman. Ze begint te lezen, zo nu en dan een knisperende hap nemend van haar appel.
   Of in Nederland zijn boek ook zo succesvol is. Poeh! De komende maanden zal ik de gifgroene band nog vaak tegenkomen. Op het strand in Bloemendaal, naast het bed van een eennachter, op tafel bij vrienden. Maar op dat moment, zoekend naar mijn string, moet ik bekennen niet zo op de hoogte te zijn. Hij gooit het zwarte ding met een boog naar me toe. Maar krijgt hij dan niet meer brieven zoals die van mij? Nee. Oh.
   De bekende schrijver blijkt een klein mannetje te zijn in een te groot jack boven een morsige broek. ‘Hi,’ zeg ik schaapachtig en ik keer hem mijn wang toe zodat hij die kan kussen.
   Hij wil meteen door naar zijn kamer die aan de overzijde van de straat is. Ik loop met hem mee. We steken schuin over naar een pand met een zware eikenhouten deur die H* opent met een sleutel. Ik volg hem naar binnen. Uitgesleten plavuizen, eeuwenoude balken, helwitte muren. Geen Hilton, denk ik. In H*’s kamer staat een antiek bureau schuin tegenover een moderne bank. Zware zijden gordijnen in een gewaagd oranje scheiden het slaapgedeelte af van de rest van de kamer.
Ik ga zitten op de bank. H* gaat naast me zitten, half naar mij toe gedraaid. Of ik iets wil drinken. Hij heeft port en water. Water. H* staat behoedzaam op en schuifelt naar het keukengedeelte, zoals steeds lichtelijk gebogen, alsof hij over het ijs van een nacht gaat.
   Hij kijkt toe terwijl ik drink. Ik geef hem mijn glas, hij pakt het aan, neemt een slok en geeft het weer terug. Terwijl ik het glas op tafel zet, voel ik hoe hij zijn ogen over mijn lichaam laat glijden. Ik kijk hem aan. Dan legt hij zijn hand hoog op mijn bovenbeen. Te hoog, net als een van zijn hoofdpersonen op een dag doet bij het meisje van zijn dromen. Die moet daarna niets meer van hem hebben, wat ik nu wel begrijp.
  Maar ik ben geen meisje meer. Daarom neem ik hem bij de hand en leid ik hem naar het bed, een beetje als een hoer, inderdaad. We gaan liggen, hij kleedt me uit en begint me gulzig te beffen. Zo nu en dan probeert hij mijn hoofd in de richting van zijn kruis te duwen. Dat hij wil dat ik hem pijp, verbaast me niets. Maar ik ben niet happig, zijn broek ruikt naar oud zaad. Waarom zegt die vrouw van hem niet tegen hem dat hij vaker een schone broek aan moet trekken! Als hij doorkrijgt dat aandringen geen zin heeft, laat hij af. Uit de la van het nachtkastje pakt hij een rits condooms. Terwijl hij er een afscheurt zie ik mijn geil glinsteren rond zijn mond en besef ik dat dit voor het eerst is dat ik seks ga hebben met iemand die echt lelijk is.
   De conducteur. Een vrouw dit keer. Ik overhandig haar mijn vervoersbewijs, inclusief het toeslagbiljet. Bitte. Danke.
   De schrijver neukt me alsof hij in gevecht is met de dood. De ziel! Na afloop streel ik hem over zijn broze haar. Hij reageert niet. Wellicht omdat hij slaapt. Dat hij slaapt, is niet meer te miskennen als hij na een paar minuten begint te snurken als een oude stoomtrein. Na een tijdje geef ik hem een por. Even is het rustig. Ik krijg hoop. Dan reutelt en piept hij gewoon weer verder. Ik kan zo onmogelijk in slaap komen en besluit te gaan kijken of ik nog oordopjes in mijn tas heb zitten. H*’s been ligt echter zwaar over me heen. Het geeft ook niet mee als ik hem probeer op te tillen. Uiteindelijk weet ik me toch onder hem vandaan te wurmen. Ik pak mijn tas. Mijn uitgaansportemonnee zit er nog in en daar weer in zit zowaar nog een doosje met een paar niet al te vieze oordopjes. Thank God for small mercies. Ik kruip terug in bed naast H* die inmiddels zijn kussen omkneld houdt.
   Ik kijk naar hem terwijl hij zittend in bed lurkt aan zijn sigaret als een kind aan de borst.
   ‘So… did you have a teddybear when you were young?’
   Hij reageert met enige vertraging.
   ‘Why?’
   ‘The way you cling to your pillow…’
   Hij knikt bedachtzaam.
   ‘I didn’t know I did that… No…’
   En hij neemt nog een hijs.
   ‘It was a cat.’
   ‘Did you have it long?’
   Stilte.
   ‘Until I was eightteen.’
   Allemachtig!
   ‘So what happened to the cat?’
   Stilte.
   ‘I buried it with my grandmother.’
   Waarop hij zijn sigaret uitdrukt en uit bed stapt. Ik volg hem met mijn ogen. Hij bukt zich om zijn broek op te rapen en strompelt verder naar de badkamer. Zijn grootmoeder die sterft als hij achttien is. Maar dan zijn zijn hoofdpersonen echt afsplitsingen van hemzelf.
   Een kwartiertje later komt H* weer te voorschijn. Ik doe mijn best om niet te kijken naar zijn bungelende piemel. Hij hurkt neer bij zijn koffer en haalt er een lange broek uit van hetzelfde slobberige model als ik hem de dag daarvoor heb zien dragen. Hij legt uit dat zijn andere tijdens het douchen nat is geworden, stapt erin en hijst hem omhoog, over zijn blote billen.
   We nemen afscheid voor het hotel. De schrijver in zijn te grote jas kijkt me bijna angstig aan. Over een paar maanden is hij in België, murmelt hij. Ik ben laf. Ik zeg niet dat ik hem niet nog eens wil zien. Het is pijnlijk en ik schaam me. Ik wou dat ik iets voor hem doen kon.
   Even voorbij de grens begint het te regenen. Zaadcellen trekken langs het raam. Ik hou niet van reizen. Waarom ben ik dan weggegaan? Toch om ervaringen te verzamelen zoals Prikkebeen vlinders? Nee, voel ik. Ik ben vertrokken, om terug te kunnen keren. Terug naar hem. Mijn enige.

Dit verhaal verscheen eerder in de inmiddels ter ziele gegane glossy La Vie en Rose.

reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s